Daderschap

Het strafrecht gaat er van oudsher van uit dat iemand pas strafbaar is als kan worden vastgesteld dat die persoon een eigen, strafbare handeling verricht heeft. Met het voortschrijden van de tijd is daar het zogenaamde functionele daderschap bijgekomen. Feitelijk betekent dit dat iemand wordt aangesproken niet zozeer voor zijn eigen handelen, als wel voor de verrichtingen van anderen waarvoor hij gezien zijn maatschappelijke positie of functie aansprakelijk wordt gehouden. In het milieustrafrecht komt dit onder meer naar voren via artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht.
In artikel 51 Wetboek van Strafrecht heeft de Nederlandse wetgever sinds 1976 geregeld dat een rechtspersoon als entiteit strafbaar kan zijn en kan worden aangesproken voor handelingen van natuurlijke personen (of andere rechtspersonen) als die handelingen binnen het bereik en de (normale) werkzaamheden van die rechtspersoon vallen. Stel dat het binnen BV X heel normaal is om bepaalde productieprocessen in strijd met de geldende milieuvoorschriften te laten verlopen en iedereen binnen die rechtspersoon daar weet van heeft maar niet ingrijpt, dan kan BV X daarvoor strafbaar worden geacht en kan haar door de strafrechter een fikse boete worden opgelegd. De rechtspersoon kan immers over die werkwijze “beschikken” en heeft deze blijkbaar “aanvaard” door niet in te grijpen.
Hetzelfde geldt op grond van artikel 51 Wetboek van Strafrecht voor eventuele opdrachtgevers en feitelijk leidinggevers. Functioneert er binnen deze BV X een directeur die overal wel weet van heeft maar het gebeuren op zijn beloop laat terwijl hij gezien zijn hoge positie gemakkelijk kan ingrijpen, dan kan ook hij door de strafrechter worden veroordeeld. Hetzelfde geldt voor degene die (uitdrukkelijk) opdacht gaf tot een illegale werkwijze.
Het kan gebeuren dat een rechtspersoon en de opdrachtgever/feitelijk leidinggever eigenlijk een en ondeelbaar zijn, bijvoorbeeld als het gaat om een rechtspersoon met maar één aandeelhouder of om een eenmanszaak. In dat geval blijft de mogelijkheid bestaan dat de strafrechter zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon (de leidinggevende) tot een boete (en/of andere straffen) veroordeelt. Het is aan de strafadvocaat om onderbouwd aan de rechter duidelijk te maken dat het hier feitelijk een en dezelfde persoon betreft en dat het niet past om beiden een fikse straf op te leggen en dat beide sancties op elkaar aangepast moeten worden.
