milieustrafrecht.eu

Natuurbeschermingsrecht

Natuurbeschermingsrecht

Als ondernemer krijgt men vaak met de verschillende regelingen op gebied van bescherming van natuur en van dier- en plantensoorten te maken. Op dit terrein zijn er allerhande verdragen gesloten op internationaal, mondiaal niveau. Daarnaast zijn er de vele richtlijnen en andere regelingen op Europees niveau. Tenslotte heeft Nederland ook haar eigen, vaak op eerdergenoemde bronnen gebaseerde wetten en regelingen. Belangrijke bronnen op dit gebied zijn de Natuurbeschermingswet en de Flora- en Faunawet.

De eerste regeling concentreert zich met name op de bescherming van gebieden, de tweede wet richt zich tot de bescherming van soorten. Het gaat dan om in het wild voorkomende planten- en dierensoorten en de locaties waar zij hun habitat hebben; nesten, rustplaatsen, broedplaatsen. De regeling geeft een opsomming van beschermde dier- en plantensoorten – de huismuis is bijvoorbeeld uitgezonderd en niet beschermd– en regelt welke gedragingen zoal verboden zijn ten aanzien van deze beschermde soorten.

Zo is het verboden dergelijke dieren opzettelijk te verontrusten en hun nesten, holen en slaapplaatsen te verstoren. In de praktijk is dit verbod nogal eens lastig na te leven door bijvoorbeeld boeren die hun land bewerken zonder iedere centimeter grond na te gaan op aanwezigheid van beschermde planten en dieren. Overigens regelt de Flora- en Faunawet ook een aantal verboden voor dieren- en plantensoorten die niet op de lijst van beschermde soorten staan. Zo mag men niet zomaar alle dieren en planten uitzetten in de vrije natuur. Ook mag men middelen die geschikt en bestemd zijn voor het doden en vangen van dieren niet onder alle omstandigheden bij zich hebben of verkopen.

Voor veel van de verboden zijn in de Flora- en Faunawet vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen beschikbaar. Een bijzonder voorbeeld daarvan is de jaarlijkse rituelen rondom kievitseieren. De ervaring leert dat de jaarlijks verleende ontheffingen voor het kievitseirapen door milieuorganisaties en andere geïnteresseerden dikwijls worden aangevochten voor de bestuursrechter.

Hoe complex en verweven casussen op dit gebied kunnen zijn, blijkt uit het volgende voorbeeld: is een duivencarrousel nu een verboden (mechanisch) lokmiddel voor de jacht of niet?

Meneer X gebruikte voor het schieten van houtduiven (dat ter bescherming van de oogst) een zogenaamde duivenlokcaroussel. Dit is een apparaat dat onder andere bestaat uit twee van elkaar afstaande stalen pennen waar aan het uiteinde twee plastic lokduiven worden bevestigd. Het apparaat wordt aangedreven door een accu en draait rond, waardoor de indruk wordt gewekt dat de twee duiven vlak boven het veld rondvliegen. Andere (levende) houtduiven reageren daarop en zij worden afgeschoten.

In de Flora- en Faunawet staat limitatief opgesomd welke lokmiddelen zijn toegestaan. Deze mechanische lokcaroussel staat er als zodanig niet bij, wel worden “lokeenden of lokduiven” als toegestane categorie vermeld. Nadat X in eerste instantie werd veroordeeld wegens gebruik van een ontoelaatbaar lokmiddel, werd hij daarvan in hoger beroep vrijgesproken. Immers, aldus het Hof, feitelijk gebruikte X een toegestaan lokmiddel, namelijk een lokduif, ook al werd deze mechanisch aangedreven. Het was feitelijk een bepaalde methode van gebruik van een toegestaan lokmiddel, waar de discussie zich op concentreerde. Het Openbaar Ministerie ging in beroep van cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad staat voor de vraag hoe de Nederlandse Flora- en Faunawet (“lokeenden of lokduiven”) zich verhoudt tot Europese regelgeving, waarin namelijk staat opgenomen dat zijn toegestaan “lokmiddelen, mits niet mechanisch of electronisch”. Dit betreft de regeling van de Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie over de vaststelling van de middelen die toelaatbaar zijn bij de uitoefening van de jacht.

Is de lokcaroussel nu een (toegestane) toepassing van lokduiven of is het een geheel zelfstandige categorie van lokinstrument en moet deze categorie als zodanig worden genoemd in de Nederlandse en Europese regels voordat toepassing daarvan toegestaan is (mechanisch of anderszins)? De Hoge Raad komt er zelf niet uit en heeft op 15 mei 2007 besloten een zogenaamde prejudiciële vraag te stellen aan het Benelux Gerechtshof. Kernvraag hierbij is (onder meer) of een zogenaamde duivencarrousel nu wel of niet een toegestaan lokmiddel bij de jacht is. Wij houden u op de hoogte!
(Vindplaats: LJN AZ0281, HR 15 mei 2007, tussenarrest)