milieustrafrecht.eu

Opsporing van milieudelicten

Opsporing van milieudelicten

De handhaving van het milieurecht kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk plaatsvinden. De laatste jaren is het strafrecht een steeds grotere rol gaan spelen bij de handhaving van het milieu. Dat wil zeggen dat er meer door politie gecontroleerd wordt en dat bij overtreding vaker wordt overgegaan tot strafrechtelijke vervolging.
Door de toenemende aandacht voor het milieu zijn er door de overheid verschillende instanties in het leven geroepen die zich specifiek bezighouden met opsporing van milieudelicten. Een grote schaar aan ambtenaren beschikt over vergaande bevoegdheden op grond waarvan toezichthoudend en/of strafvorderlijk kan worden opgetreden. Zowel het Openbaar Ministerie, de politie en buitengewoon opsporingsambtenaren zijn aan te merken als opsporende instanties.

Het Openbaar Ministerie
Inmiddels hebben alle arrondissementen een Officier van Justitie (functionaris van het Openbaar Ministerie) die de milieuzorg in zijn portefeuille heeft. De Officier van Justitie is als leider van het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de opsporingshandelingen.

De politie
De reguliere politie is belast met opsporing van alle strafbare feiten, waarmee dus ook met WED-milieudelicten. Dat het milieu bij de reguliere politiediensten niet de grootste prioriteit heeft moge duidelijk zijn, maar dat wil niet zeggen dat er in de nabije toekomst niet meer en meer zal worden opgespoord.

Buitengewone opsporingsambtenaren
Op grond van de WED zijn er buitengewone opsporingsambtenaren aangewezen, die naast de Officieren van Justitie en de politie een zeer belangrijke rol vervullen bij het opsporen van milieudelicten. Tot de buitengewoon opsporingsambtenaren behoren ambtenaren van het Rijk, de provincie, waterschappen en de gemeente. Veel van deze ambtenaren hebben zeer specifieke kennis van allerlei aspecten van milieuwetgeving en -problematiek. Daarnaast bezitten ze over het algemeen bevoegdheden op zowel het gebied van het bestuursrecht als het strafrecht. In voorkomende gevallen levert dat de zogenaamde “twee pettenproblematiek” op. De ambtenaar kan immers enerzijds adviserend en vergunningverlenend zijn en plotseling handhavend optreden. Indien de ambtenaar toezichthoudende activiteiten vervult, is de burger desgevraagd verplicht medewerking verlenen. Dezelfde burger hoeft geen medewerking te verlenen als er sprake is van opsporingsactiviteiten. In dat geval wordt de burger immers als verdachte aangemerkt en kan hij zich op zijn zwijgrecht beroepen.

De bevoegdheden die de verschillende ambtenaren zijn toegekend zijn uiteindelijk te onderscheiden in toezichthoudende bevoegdheden en opsporings- en vervolgingsbevoegdheden. Voor het strafvorderlijke traject zijn uiteraard met name de opsporings- en vervolgingsbevoegdheden van belang. De bevoegdheden die voor de economische delicten van belang zijn worden met name bepaald in de WED en het Wetboek van Strafvordering. De bevoegdheden kunnen zeer verstrekkend zijn en bestaan o.a. uit:

-Betreden van plaatsen;
-Inbeslagneming van voorwerpen;
-Doorzoeken;
-Inzage van bescheiden;
-Onderzoek vervoermiddelen;
-Nemen van monsters;
-Opnemen van vertrouwelijke communicatie;
-Etc.
  

Ten opzichte van het Wetboek van Strafvordering (voor commune delicten) kent de WED overigens enkele aanvullende regels:

-Opsporingsambtenaren genieten op grond van de WED ruimere bevoegdheden dan op grond van het Wetboek van Strafvordering;
-De Officier van Justitie kan al voorafgaande aan de zitting voorlopige maatregelen opleggen en heeft ruime mogelijkheden tot transactie.